dinsdag 23 maart 2010
Druk
Druk, druk, druk.
Dikke gaap bij de zoveelste die zich op de vraag:
'hoe gaat ie?' zo uit-druk-t.
Druk, druk, druk.
Niks te gapen.
Druk, druk, druk.
Het is echt.
Maar ook lente.
Druk dus. En lente!
zaterdag 12 december 2009
Obese engel
Zo, hij staat weer. Blingbling in overwegend roze. Een aantal takken is bedekt met een laagje spuitsneeuw. Een vorm van versiering die, wat mij betreft, nog het meest lijkt op acute takkenschimmel. Dochter echter, geïndoctrineerd door een klasgenootje wier moeder zo’n spraybus mee naar school had gegeven om de klassenboom mee te belagen (was zij lekker van die zooi af), meent hiermee de ultieme compensatie voor een overigens sneeuwloos bestaan te hebben gevonden. En vooruit, kerstbomen opleuken blijft toch het prerogatief van het kind. Al voel ik me niet te beroerd om op momenten dat het esthetisch echt uit de bocht dreigt te vliegen op subtiele wijze bij te sturen.
Drie bonte vogeltjes knus op één tak (‘Kunnen ze fijn samen spelen, mam’) die daardoor vervaarlijk doorbuigt naar poezenklauwenhoogte. Een kerstmannetje, dat bij ons nooit verder zal komen dan verveeld rondhangen in een dennenboom simpelweg omdat hij de concurrentie met Sint niet kan doorstaan. Een stervormige piek die, vanwege een te iel toptakje en mijn gebrek aan motivatie om een en ander met een snoeischaar te lijf te gaan, niet fier omhoog wijst, maar als in vrolijke dronkenschap onheilspellend ver naar links hangt. Geheid dat wij hier voor de kerst nog vallende sterren zien. En dan de obese kerstengel, mijn favoriet. Ooit door dochter in de kleutergroep gefabriekt van iets te slap brooddeeg, waardoor een vormeloos hoopje goedertierenheid ontstond. Vleugels, hoofd en lijfje golven op aandoenlijke wijze over en door elkaar. Een rood likje verf waar het mondje moet zijn, wat goudkleurige vederstreepjes op het bochelige rugje.
Onder de boom, de kerststal. Met daarin een dubbele vertegenwoordiging van de heilige familie. De uit een kunsthandel afkomstige figuren uit mijn ouderlijk huis met daarnaast hun dubbelgangers, door een familielid meegenomen uit een ver exotisch land. Volgens dochter hebben ze beide evenveel recht op een plek in het eenvoudige uit hout opgetrokken onderkomen (als dat geen mooie kerstgedachte is). Twee ossen, twee ezels, twee schaapjes, twee Josephs, twee Maria’s, twee Jezussen. ‘Goh’, mijmer ik, ‘wat als Jezus nou een tweeling was geweest? Twee kindekes teer, twee Christussen, twee verlossers? Wat denk je? Zou de wereld er dan anders uit hebben gezien?’ Dochter, niet ontvankelijk voor filosofische vraagstukken, herpositioneert de messiassen en antwoordt: ‘Ik denk het niet, mam. Maar ze hadden het samen vast gezellig gehad.’
Drie bonte vogeltjes knus op één tak (‘Kunnen ze fijn samen spelen, mam’) die daardoor vervaarlijk doorbuigt naar poezenklauwenhoogte. Een kerstmannetje, dat bij ons nooit verder zal komen dan verveeld rondhangen in een dennenboom simpelweg omdat hij de concurrentie met Sint niet kan doorstaan. Een stervormige piek die, vanwege een te iel toptakje en mijn gebrek aan motivatie om een en ander met een snoeischaar te lijf te gaan, niet fier omhoog wijst, maar als in vrolijke dronkenschap onheilspellend ver naar links hangt. Geheid dat wij hier voor de kerst nog vallende sterren zien. En dan de obese kerstengel, mijn favoriet. Ooit door dochter in de kleutergroep gefabriekt van iets te slap brooddeeg, waardoor een vormeloos hoopje goedertierenheid ontstond. Vleugels, hoofd en lijfje golven op aandoenlijke wijze over en door elkaar. Een rood likje verf waar het mondje moet zijn, wat goudkleurige vederstreepjes op het bochelige rugje.
Onder de boom, de kerststal. Met daarin een dubbele vertegenwoordiging van de heilige familie. De uit een kunsthandel afkomstige figuren uit mijn ouderlijk huis met daarnaast hun dubbelgangers, door een familielid meegenomen uit een ver exotisch land. Volgens dochter hebben ze beide evenveel recht op een plek in het eenvoudige uit hout opgetrokken onderkomen (als dat geen mooie kerstgedachte is). Twee ossen, twee ezels, twee schaapjes, twee Josephs, twee Maria’s, twee Jezussen. ‘Goh’, mijmer ik, ‘wat als Jezus nou een tweeling was geweest? Twee kindekes teer, twee Christussen, twee verlossers? Wat denk je? Zou de wereld er dan anders uit hebben gezien?’ Dochter, niet ontvankelijk voor filosofische vraagstukken, herpositioneert de messiassen en antwoordt: ‘Ik denk het niet, mam. Maar ze hadden het samen vast gezellig gehad.’
donderdag 15 oktober 2009
Schompes
Oeps, meer dan een maand niks geschreven. Dat wil zeggen: ik schrijf me het schompes. Voor klanten. En zolang niemand me voor mijn briljante columns betaalt, gaat broodschrijfwerk voor. Mooie uitdrukking trouwens: ‘je het schompes werken’. Etymologie lastig te achterhalen. Volgens sommige bronnen zou schompes schuim betekenen. Ik werk me het schuim (op de bek).
Anyway. Toch nog 41 bezoekers gehad hier, ondertussen. Argeloze nieuwelingen die toevallig langs zwierden, onkundig van het feit dat hier al heel lang helemaal niets gebeurt? Of die ene vaste klant die kermend van ontwenningswoede na 41 pogingen buutvrij-joos voorgoed uit zijn favorieten elimineerde?
Inactiviteit is, zo lees ik overal waar je over blogs kunt lezen, de nekslag voor een blog.
Vandaar deze activiteit. Een bondige activiteit. Een wellicht kort door de bocht activiteit. Een strak getime-managede activiteit. Want tijd voor meer activiteit zit er tijdelijk niet in.
Terug naar het schuim.
Anyway. Toch nog 41 bezoekers gehad hier, ondertussen. Argeloze nieuwelingen die toevallig langs zwierden, onkundig van het feit dat hier al heel lang helemaal niets gebeurt? Of die ene vaste klant die kermend van ontwenningswoede na 41 pogingen buutvrij-joos voorgoed uit zijn favorieten elimineerde?
Inactiviteit is, zo lees ik overal waar je over blogs kunt lezen, de nekslag voor een blog.
Vandaar deze activiteit. Een bondige activiteit. Een wellicht kort door de bocht activiteit. Een strak getime-managede activiteit. Want tijd voor meer activiteit zit er tijdelijk niet in.
Terug naar het schuim.
woensdag 2 september 2009
Mad Women
Mad Men schetst een, vaak huiveringwekkende, wereld waarin mannen - peuk in de mondhoek, glas whisky in de hand – de dienst uitmaken op de werkvloer en waarin vrouwen het zelden verder schoppen dan tot kantoorsloof annex voetveeg annex object van al dan niet gewenste intimiteiten (sois belle et tais toi).
Prachtig uitgewerkte karakters, intrigerende verhaallijnen en spitse dialogen. En niet te vergeten de aankleding die, als je zoals ik een hang hebt naar de mode van de fifties en de sixties, werkelijk om te kwijlen is. Al die jurkjes wil ik. Met bijbehorende schoenen en tassen. Doe me maar gewoon de complete garderobe’s van Betty en Joan. En zelfs bij Peggy zit er nog wel wat tussen waar ik mijn neus niet voor ophaal. Waarom hangt er geen Mad Women-collectie in de winkels?!
Maar afgezien van de kleding (ook Don Draper is niet te versmaden in zijn strakgesneden pakken) is er weinig in de serie wat aanleiding geeft naar die periode terug te verlangen. Wat een geluk dat er in de afgelopen vijftig jaar zoveel is veranderd.
Hoewel? Een beetje googelen leert dat anno 2009 tien van 125 Nederlandse reclamebureaus gerund worden door vrouwen en dat in de top 50 van meest bekroonde copywriters en artdirectors sinds 1990 welgeteld één vrouw staat. Op nummer 50 (marcom500, hall of fame).
Huiveringwekkend.
Waar zijn ze, de mad women? De Peggy’s die zich door een woud van (zelfgenoegzame, territoriumdriftige) heren een weg naar de top en/of de prijzenkast weten te banen. Bonken zij vruchteloos tegen een plafond van gewapend glas? Ontberen ze ambitie of zijn hun rechterhersenhelften simpelweg minder geproportioneerd dan die van hun mannelijke collega’s?
Zijn de bureaus van de 21ste eeuw, voorzien van een vrouwvriendelijk 'grijp je kans, hier kan alles–vernisje', eigenlijk gewoon Sterling & Coopers in disguise? Dan stel ik voor dat wij reclamedames de jarretelgordels bij onze moeders uit de mottenballen trekken en ons met z’n allen in van die beeldige jurkjes met punttieten en wespentailles hijsen. Dat zal in elk geval de nodige aandacht opleveren. En misschien wel een nieuwe reclameprijs. De ‘Joan-of-the-Year-Award’ ofzo.
P.S. Gezocht: creatieve dames om een weergaloze Mad Women-collectie te ontwerpen, een adembenemende reclamecampagne in elkaar te draaien en één en ander, zowel artistiek als commercieel, tot een huiveringwekkend succes te maken.
Prachtig uitgewerkte karakters, intrigerende verhaallijnen en spitse dialogen. En niet te vergeten de aankleding die, als je zoals ik een hang hebt naar de mode van de fifties en de sixties, werkelijk om te kwijlen is. Al die jurkjes wil ik. Met bijbehorende schoenen en tassen. Doe me maar gewoon de complete garderobe’s van Betty en Joan. En zelfs bij Peggy zit er nog wel wat tussen waar ik mijn neus niet voor ophaal. Waarom hangt er geen Mad Women-collectie in de winkels?!
Maar afgezien van de kleding (ook Don Draper is niet te versmaden in zijn strakgesneden pakken) is er weinig in de serie wat aanleiding geeft naar die periode terug te verlangen. Wat een geluk dat er in de afgelopen vijftig jaar zoveel is veranderd.
Hoewel? Een beetje googelen leert dat anno 2009 tien van 125 Nederlandse reclamebureaus gerund worden door vrouwen en dat in de top 50 van meest bekroonde copywriters en artdirectors sinds 1990 welgeteld één vrouw staat. Op nummer 50 (marcom500, hall of fame).
Huiveringwekkend.
Waar zijn ze, de mad women? De Peggy’s die zich door een woud van (zelfgenoegzame, territoriumdriftige) heren een weg naar de top en/of de prijzenkast weten te banen. Bonken zij vruchteloos tegen een plafond van gewapend glas? Ontberen ze ambitie of zijn hun rechterhersenhelften simpelweg minder geproportioneerd dan die van hun mannelijke collega’s?
Zijn de bureaus van de 21ste eeuw, voorzien van een vrouwvriendelijk 'grijp je kans, hier kan alles–vernisje', eigenlijk gewoon Sterling & Coopers in disguise? Dan stel ik voor dat wij reclamedames de jarretelgordels bij onze moeders uit de mottenballen trekken en ons met z’n allen in van die beeldige jurkjes met punttieten en wespentailles hijsen. Dat zal in elk geval de nodige aandacht opleveren. En misschien wel een nieuwe reclameprijs. De ‘Joan-of-the-Year-Award’ ofzo.
P.S. Gezocht: creatieve dames om een weergaloze Mad Women-collectie te ontwerpen, een adembenemende reclamecampagne in elkaar te draaien en één en ander, zowel artistiek als commercieel, tot een huiveringwekkend succes te maken.
maandag 17 augustus 2009
Kampeerdersprozac
Waar kampeerliefhebbers en kampeerhaters tegenover elkaar komen te staan, doemt vroeger of later steevast ‘dé wc-rol’ op. In de wc-rol balt zich samen wat de kampeerwalger zoal haat aan kamperen. Meestal ongeveer als volgt verwoord: ‘Ik-ga-toch-zeker-niet-met-een-wc-rol-onder-de-arm-over-een-kampeerterrein-lopen-zodat-al-die-andere-stakkers-van-uur-tot-uur-kunnen-bijhouden-wat-mijn-schijtritme-is.’ De kampeerliefhebber haalt hierover zijn schouders op. Kan hem het schelen. Hij is de koningin niet.
Hoewel ik zelf kampeer – om diverse goed verdedigbare redenen, zoals de vermeende heilzame werking van het permanent onder de nagenoeg naakte hemel verkeren en de rijkelijk voorradige uitleefkansen voor het bleekneuzige stadskind – voel ik mee met de afkerigen.
Hierom.
Jarenlang bezorgde niet zozeer de wc-rol onder de arm mij nachtmerries, maar het in het geheel niet toekomen aan zo’n rol. Tot niet zo heel lang geleden was de staat van de gemiddelde campingplee zo erbarmelijk dat het betreden van een kampeerterrein voldoende was om terstond al mijn lichaamsuitgangen op slot te doen gaan. Kamperen stond voor mij gelijk aan niet poepen. En ik kan je vertellen, dat is een paar dagen niet leuk, maar na een week of twee wordt het echt een chagrijnige aangelegenheid. Op mijn vakantiemeeneemlijst stond dan ook met stip op één: laxeermiddel. Dulcolax was mijn vakantieprozac. Mijn sedatief in tijden van hoge nood. Daarmee echter was het probleem nog niet getackeld. Het kampeersanitair werd er geen spat schoner van. Dat was nog steeds zum kotzen. En op nog meer viezigheid zat niemand te wachten.
Om de vakantie toch een beetje gezellig te houden, moesten mijn kampeergenoten zich noodgedwongen onderwerpen aan het volgende ritueel. Op dagen dat ik naar de pillen greep, lieten wij cultureel erfgoed, ruisende bossen (voor sommigen overigens ook prima voor een sanitaire stop, maar bij mij heeft het nooit gewerkt), sprankelende beekjes en overige wereldwonderen links liggen om op jacht te gaan naar een kraakheldere wc. Grote warenhuizen met smetvrezige toiletdames en poepchique (nomen est omen) restaurants waren favoriet. In het eerste geval kon na wat obligaat geblader tussen jurkjes of in boeken op het moment suprême meteen tot actie worden overgegaan. In het andere nuttigden we eerst keurig een kopje koffie, eventueel met taartje. Na gedane zaken trad een periode van hervonden vakantievreugde in en bleek de camping opeens weer een heerlijk plekje onder de zon.
Godzijdank is de hygiëne op campings in binnen- en buitenland
de laatste jaren een stuk verbeterd. Zodanig dat zelfs ik er niet meer subiet van dichtklap. Inmiddels loop ik redelijk ontspannen van tent naar toiletgebouw. Met rol. Niet onder de arm, maar in een charmant tasje, waarin ik ook nog wat andere nuttige zaken kan verstoppen(!). Just in case.
Hoewel ik zelf kampeer – om diverse goed verdedigbare redenen, zoals de vermeende heilzame werking van het permanent onder de nagenoeg naakte hemel verkeren en de rijkelijk voorradige uitleefkansen voor het bleekneuzige stadskind – voel ik mee met de afkerigen.
Hierom.
Jarenlang bezorgde niet zozeer de wc-rol onder de arm mij nachtmerries, maar het in het geheel niet toekomen aan zo’n rol. Tot niet zo heel lang geleden was de staat van de gemiddelde campingplee zo erbarmelijk dat het betreden van een kampeerterrein voldoende was om terstond al mijn lichaamsuitgangen op slot te doen gaan. Kamperen stond voor mij gelijk aan niet poepen. En ik kan je vertellen, dat is een paar dagen niet leuk, maar na een week of twee wordt het echt een chagrijnige aangelegenheid. Op mijn vakantiemeeneemlijst stond dan ook met stip op één: laxeermiddel. Dulcolax was mijn vakantieprozac. Mijn sedatief in tijden van hoge nood. Daarmee echter was het probleem nog niet getackeld. Het kampeersanitair werd er geen spat schoner van. Dat was nog steeds zum kotzen. En op nog meer viezigheid zat niemand te wachten.
Om de vakantie toch een beetje gezellig te houden, moesten mijn kampeergenoten zich noodgedwongen onderwerpen aan het volgende ritueel. Op dagen dat ik naar de pillen greep, lieten wij cultureel erfgoed, ruisende bossen (voor sommigen overigens ook prima voor een sanitaire stop, maar bij mij heeft het nooit gewerkt), sprankelende beekjes en overige wereldwonderen links liggen om op jacht te gaan naar een kraakheldere wc. Grote warenhuizen met smetvrezige toiletdames en poepchique (nomen est omen) restaurants waren favoriet. In het eerste geval kon na wat obligaat geblader tussen jurkjes of in boeken op het moment suprême meteen tot actie worden overgegaan. In het andere nuttigden we eerst keurig een kopje koffie, eventueel met taartje. Na gedane zaken trad een periode van hervonden vakantievreugde in en bleek de camping opeens weer een heerlijk plekje onder de zon.
Godzijdank is de hygiëne op campings in binnen- en buitenland
de laatste jaren een stuk verbeterd. Zodanig dat zelfs ik er niet meer subiet van dichtklap. Inmiddels loop ik redelijk ontspannen van tent naar toiletgebouw. Met rol. Niet onder de arm, maar in een charmant tasje, waarin ik ook nog wat andere nuttige zaken kan verstoppen(!). Just in case.
donderdag 2 juli 2009
Weer in LA
In Amsterdam loopt de temperatuur op naar een graad of 30 vandaag, maar hoe is het weer in LA?
Don't care?
Kijk toch even hier - al is het maar voor een zonnig humeur -
http://www.davidlynch.com/dailyreport/index.html
Met dank aan de onvolprezen David Lynch.
Don't care?
Kijk toch even hier - al is het maar voor een zonnig humeur -
http://www.davidlynch.com/dailyreport/index.html
Met dank aan de onvolprezen David Lynch.
vrijdag 22 mei 2009
Muis
Bind mij vast en laat 9 spinnen aan kleverige zelfgesponnen draadjes langzaam naar beneden zakken. Prik mij op 32 plaatsen lek om een barstensvolle zak bloed te oogsten. Boor mijn kiezen door op zoek naar ontstoken wortelkanalen of ander gebitgerelateerd ongerief. Ik geef geen krimp.
Maar stel mij niet bloot aan het fenomeen muis. De muis appelleert aan sluimerende doch omvangrijke angsten in mij. Dat vermoed ik althans, want waarom anders verlies ik bij het aanschouwen van het objectief gezien onschuldige grijzige wezentje terstond alle controle? Ik verander in een gillende krankzinnige die geen bruikbare gedachte meer voortbrengt.
Het voordeel van het hebben van een kat is dat de gemiddelde muis het wel uit z’n hoofd laat genoeglijk door je huis te gaan marcheren op jacht naar pastavoorraden en wat dies meer zij. Het nadeel van het hebben van een kat is dat die de muis, bij gebrek aan inwonende exemplaren, gewoon zelf vanuit de binnentuinen importeert. De kat heeft geen vermoeden van angsten. De kat denkt: 'Laat ik de baasjes eens een plezier doen met een krakend vers veldmuisje'. Dat denkt de kat. Vooral in het voorjaar en vooral heel onverwachts.
Zo ook afgelopen zondagochtend. Net onder de douche vandaan, hoorde ik het kattenluik klepperen zoals het alleen kleppert als er grote opwinding bij de kat in het spel is. In een flits zag ik het beest het halletje doorstormen, iets uit haar bek omhooggooien, het met beide voorpoten weer beetpakken om het achtereenvolgens een linkse en een rechtse directe te verkopen. In de split second waarin dit gebeurde had ik mij al krijsend achter de kamerdeur verschanst: ‘Een muis! Ze heeft een muis. Oh bugger (het nieuwe ‘k’-woord sinds ik mezelf een ‘k’-woordverbod heb opgelegd). Wat moet ik nu. Een muis! Ga weg rotkat. Donder op met dat kreng’, en zo verder… Dochter-grootste-dierenvriend-ooit begon van de weeromstuit lustig met mij mee te joelen.
Hier paste maar één remedie en die remedie heet man. Ik ben niet voor een kleintje vervaard, maar er zijn problemen waarop man het enig effectieve antwoord is. Nou hebben we er zelf niet altijd een bij de hand, maar mijn portiek grossiert gelukkig in stoere buufvriendelijke exemplaren. Het was dus zaak om er daarvan een te pakken te krijgen. En snel. Maar daarvoor moest ik eerst ongeschonden het huis uit zien te komen. Geen sinecure. Er moest een met muis voetballende kat gepasseerd worden. Met de moed van de waarlijk wanhopige waagde ik de sprong. Vliegensvlug door het halletje, voordeur open en op een buurbel gedrukt. Buurman - ook nog gezellig in ochtendjas – had aan een paar gestamelde woorden genoeg om te begrijpen hoe hoog de nood was. Gedecideerd betrad hij de plaats delict en viste – voor de verwonderde ogen van de kat die tegen deze concurrentie niet was opgewassen - met een stukje keukenpapier het vervloekte creatuur van de vloer: ‘Hij leeft nog hoor’. Dochter was schoorvoetend dichterbij gekomen en samen bestudeerden ze de inhoud van het witte papiertje. ‘Kijk maar, je ziet ‘m ademen’. Dochter vertederd: ‘Hij is eigenlijk heel schattig. Oh, die kleine pootjes’. Ik rilde. Gedeelde dierenliefde deed buurman en dochter besluiten het bibberende beestje in de struiken voor het huis te vlijen, waar het ver weg van wrede kattenklauwen misschien in staat zou zijn het leven weer op te pakken. Ik vond het prima, zolang de kans op terugkeer onder mijn dak maar nul was.
Enkele uren later ging dochter op inspectie. Muis lag er nog. Bewegingloos. Het was 'm niet gelukt. Muis was dood. Arme muis.
Maar stel mij niet bloot aan het fenomeen muis. De muis appelleert aan sluimerende doch omvangrijke angsten in mij. Dat vermoed ik althans, want waarom anders verlies ik bij het aanschouwen van het objectief gezien onschuldige grijzige wezentje terstond alle controle? Ik verander in een gillende krankzinnige die geen bruikbare gedachte meer voortbrengt.
Het voordeel van het hebben van een kat is dat de gemiddelde muis het wel uit z’n hoofd laat genoeglijk door je huis te gaan marcheren op jacht naar pastavoorraden en wat dies meer zij. Het nadeel van het hebben van een kat is dat die de muis, bij gebrek aan inwonende exemplaren, gewoon zelf vanuit de binnentuinen importeert. De kat heeft geen vermoeden van angsten. De kat denkt: 'Laat ik de baasjes eens een plezier doen met een krakend vers veldmuisje'. Dat denkt de kat. Vooral in het voorjaar en vooral heel onverwachts.
Zo ook afgelopen zondagochtend. Net onder de douche vandaan, hoorde ik het kattenluik klepperen zoals het alleen kleppert als er grote opwinding bij de kat in het spel is. In een flits zag ik het beest het halletje doorstormen, iets uit haar bek omhooggooien, het met beide voorpoten weer beetpakken om het achtereenvolgens een linkse en een rechtse directe te verkopen. In de split second waarin dit gebeurde had ik mij al krijsend achter de kamerdeur verschanst: ‘Een muis! Ze heeft een muis. Oh bugger (het nieuwe ‘k’-woord sinds ik mezelf een ‘k’-woordverbod heb opgelegd). Wat moet ik nu. Een muis! Ga weg rotkat. Donder op met dat kreng’, en zo verder… Dochter-grootste-dierenvriend-ooit begon van de weeromstuit lustig met mij mee te joelen.
Hier paste maar één remedie en die remedie heet man. Ik ben niet voor een kleintje vervaard, maar er zijn problemen waarop man het enig effectieve antwoord is. Nou hebben we er zelf niet altijd een bij de hand, maar mijn portiek grossiert gelukkig in stoere buufvriendelijke exemplaren. Het was dus zaak om er daarvan een te pakken te krijgen. En snel. Maar daarvoor moest ik eerst ongeschonden het huis uit zien te komen. Geen sinecure. Er moest een met muis voetballende kat gepasseerd worden. Met de moed van de waarlijk wanhopige waagde ik de sprong. Vliegensvlug door het halletje, voordeur open en op een buurbel gedrukt. Buurman - ook nog gezellig in ochtendjas – had aan een paar gestamelde woorden genoeg om te begrijpen hoe hoog de nood was. Gedecideerd betrad hij de plaats delict en viste – voor de verwonderde ogen van de kat die tegen deze concurrentie niet was opgewassen - met een stukje keukenpapier het vervloekte creatuur van de vloer: ‘Hij leeft nog hoor’. Dochter was schoorvoetend dichterbij gekomen en samen bestudeerden ze de inhoud van het witte papiertje. ‘Kijk maar, je ziet ‘m ademen’. Dochter vertederd: ‘Hij is eigenlijk heel schattig. Oh, die kleine pootjes’. Ik rilde. Gedeelde dierenliefde deed buurman en dochter besluiten het bibberende beestje in de struiken voor het huis te vlijen, waar het ver weg van wrede kattenklauwen misschien in staat zou zijn het leven weer op te pakken. Ik vond het prima, zolang de kans op terugkeer onder mijn dak maar nul was.
Enkele uren later ging dochter op inspectie. Muis lag er nog. Bewegingloos. Het was 'm niet gelukt. Muis was dood. Arme muis.
Abonneren op:
Posts (Atom)
